Vanishing Valley I Bhaktapur Nepal

All pictures were taken during the the nineteen seventies on 35 mm black & white film  by © Ton Lankreijer and developed in Kathmandu photo studios.



The above is Part two out of four

Maart 1975 werd prins Birendra tot koning van Nepal gekroond. Als geschenk bood West-Duitsland een algehele restauratie van het dorp Bhaktapur aan. 

In eerdere eeuwen was Bhaktapur een van de drie 'koninkrijkjes' in de Kathmandu vallei. Tegenwoordig verdwijnen alle losse dorpen in de vallei, ze vergroeien tot één groot conglomeraat: de hoofdstad.

Het was stellig een origineel geschenk, nota bene van een land dat net zelf uit wederopbouw kwam. Het kwam ook precies op tijd om de rigoureuze, moderne uitbreidings-plannen nog eens nader te bekijken. In het verderop gelegen Kathmandu ging veel van het oude cultuurgoed in die tijd zonder veel overdenking tegen de vlakte. Of het verdween onder een dikke laag cement.

Het verpauperde boerendorp kon de extra werkgelegenheid goed gebruiken. En extra werk kregen ze: zowel overdags als ‘s nachts. Veel van wat er overdag werd gerestaureerd, werd namelijk ‘s nachts weer afgebroken.

Alle plannen kwamen rechtstreeks vanaf de teken-tafels in West-Duitsland; gründlich en zonder al teveel overleg met de lokale bevolking. Ook had die gemeenschap uiteraard al die eeuwen al een eigen organisatie om de boel overeind te houden. Alleen de financiële middelen ontbraken de laatste honderd jaar om het gedegen te onderhouden.

Het was echter de tijd van opkomende, goeder-tierende ontwikkelingshulp, nog verre van gehinderd door enige twijfel of zelfreflectie.

 Het was de tijd van de Amerikaanse peace corps -jeugd die al dan niet school credits kwam verzamelen. Na enkele weken, hooguit twee maanden, keerden ze meestal ontsteld en ontgoocheld uit afgelegen gebieden terug. 

Het lokale dorpshoofd wilde bijvoorbeeld de nieuwe waterpomp pal naast zijn voordeur hebben en anders ging het domweg niet door. Van macht en machtsverhoudingen hadden de jeugdige goeddoeners nog geen bhat & dahl gegeten.

Het was de tijd dat Novib in Nederland collecteerde met grote posters langs de stations waarop een sneue foto stond van een joch dat bijkans bezweek onder een zware waterpot op z'n hoofd. Daaronder stond in grote letters gedrukt: 'Rajas moet elke dag vier uur lopen naar de dichtstbijzijnde waterbron.'

Al gauw schreven treinende scholieren er een andere, opkomende visie onder: 'Misschien moet Rajas wat dichterbij die waterbron gaan wonen.'

De goedertierende, West-Duitse hulp overvleugelde zonder pardon het eigen systeem waarmee het eeuwenlange onderhoud over de kasten was verdeeld.

Voor overleg met de bewoners, voor lokale wensen, was er wel geld maar geen ruimte; achter de Duitse tekentafels stonden immers gekwalificeerde, westerse architecten - en die wisten heus wel hoe zo'n huisje of tempeltje in elkaar stak.

Aldoende werden de huisjes tot gouden kooien gerestaureerd. Dankzij nieuwe landbouwmethoden en betere medicijnen voltrok zich immers in de zeventiger jaren, gelijk overal elders in de Azië, een ware bevolkingsexplosie. Maar uitbreiden en aanbouwen mocht niet langer, alles lag vast in tekening.

Op bijgaande foto's is de plotse, enorme aanwas duidelijk zichtbaar: door elk straatbeeld krioelen vele kinderen. Je kreeg ze domweg niet voor je lens vandaan – en eerlijk gezegd wilde ik dat ook niet.

Een interessante vraag blijft altijd: welk land geeft welke soort ontwikkelingshulp. Nederland bood in die jaren Nepal een melkfabriek aan. Dat elk kapotte onderdeel vervolgens in Nederland moest worden bijbesteld – en dat in die prijs bijvoorbeeld alle ziekte- en pensioenpremies zaten verwerkt – maakte niet uit, daar stonden wel weer andere ontwikke-lingsgelden tegenover. 

Weldra verscheen in de drie boekwinkels die Kathmandu toentertijd telde een vlugschrift onder de titel: Can Nepal survive without foreign aid?

China bood een highway aan, dwars door de Himalaya, helemaal tot aan Kathmandu. In de hoofd-stedelijke vallei reed er toentertijd alleen een uiterst bescheiden aantal derdehands taxi-Toyota’s over de nieuwe asfaltwegen.

Na China’s gulle gift bood India, zelf nog maar net onafhankelijk, pardoes ook een snelweg aan; vanaf de tegenoverliggende grens naar de hoofdstad.

'Zijn ze soms bang dat het communisme per taxi over de Himalaya komt?’ vroeg de toenmalige koning Mahendra zich hardop af.

Het strijdbare boerendorp Bhaktapur was echter al veel langer rood in hart en ziel, al heette het toen nog geen communisme. Op enkele van bijgaande foto's liggen langs de straatjes open rioleringen. Natuurlijk leidde dit soort armoe tot darmziektes, ontstekingen, enz. Maar met een kindersterfte van zo’n dertig tot veertig procent zag je daar in het straatbeeld niet veel van, alleen de sterken overleefden immers. 

(De eerste toeristen vroegen zich soms hardop af of men hier eigenlijk niet gelukkiger was dan thuis.)

Het leek de West-Duitsers een goed idee om openbare toiletten aan te leggen, toentertijd een nog onbekend verschijnsel in ‘derde-wereld landen’. 

De nieuwe gebouwtjes waren binnen een half jaar tot kwalijke ziektebronnen vervallen. Alleen de laagste kasten maakten er nog gebruik van, de onaanraakbaren, en die bekommerden zich er al helemaal niet om want zij werden per slot zelf als stront behandeld.

Nadat er eenmaal sprake was van overleg en samenwerking - de Duitse tekentafels verhuisden zo waar naar Bhaktapur - ontstond er een fraai gerestaureerde, oude binnenstad; alle nodige nieuwbouw geschiedde aan de rand van het idyllische dorp.

Tegelijkertijd werden de bewoners dankzij de toenemende welvaart alsmaar langer, het spullenbezit alsmaar groter en Bhaktapur steeds meer een openluchtmuseum...

Toeristen dienen tegenwoordig een pittig geprijsd toegangsbewijs te kopen (was hierom niet ooit het visum uitgevonden?).

Aan mijn oude negatieven valt ook af te lezen dat er radio noch televisie was.

(Er was weer wel een Chinees boekwinkeltje gekomen - zij het niet per taxi – waar zelfs de prachtigste communistische fotoboeken tegen een communistisch prijsje te koop waren... die in huidig China weer een veelvoud opbrengen…).

Op de landerige namiddagen waren de boeren en ondergetekende, jeugdige amateurfotograaf, duidelijk elkaars vertier. Daarbij kwam dat hij vond dat je met een telelens foto’s stal en dus ging hij pal voor de dorpers staan.

En wel: met een kleine groothoeklens op de oude – al dan niet geleende – camera want in het detail school de tijd. Hij had toen nog vele overtuigingen.

Dankzij de overvloed aan tijd staat de hardwerkende boerenbevolking er welwillend, zo niet lacherig op. Dat komt ook doordat het contact meestal gestuliek, zo niet clownesk was want die boerenlieden uit Bhaktapur spraken de nationale lingua franca niet, het Nepalees; alleen Newarees, maar dan wel in hun eigen dialect.

Het maakte allemaal niet veel uit op die lege namiddagen vol midmoesonse meligheid.

 

 

All photographs and texts © Kashba, Ais Loupatty & Ton Lankreijer. Webdesign: William Loupatty.