Thuis aan de Oude Waal  (nawoord)

blog inhoud

Deel 1 - 2 - 3 - 4 - 5


begin 3


Een nagelaten koffer: nawoord

Thuis aan de Oude Waal 

Aan het begin van deze serie dacht ik het woord ik pas te gebruiken als het verhaal in de tachtiger jaren aankwam, het moment dat Els en ik elkaar leerden kennen. Bij de eerste zinnen werd natuurlijk duidelijk dat het een onmogelijk idee was: èlk woord is gekozen, gekleurd en subjectief. 

Oftewel: ieder ander had er ongetwijfeld andere accenten gelegd en een andere vorm eraan gegeven.

De koffer is nu leeg.

Eenmaal thuis aan de Oude Waal bewaart Els weinig meer  –  een paar foto’s, enkele knipsels, een tekening, een kattebelletje… Dit nawoord berust bij gevolg vooral op mijn herinneringen. 

Enfin zou Els schrijven.

‘Sudah,’ zou ze zeggen.


Els Mary Martha

Els van den Berg, Mary Loupatty en Martha Cohen

Na een reis van drie maanden door de Molukken komen Ais en ik in 1985 terug naar Amsterdam. Martha besloot ons te verrassen met een welkom-thuis etentje en Els bood haar aan om Indonesisch te koken. 

Als we aankomen, heeft ze net gebeld dat ze er aankomt. Nog even dit, nog even dat, jam karet, de elastieken tijd.

‘Zou je haar niet even met m’n auto ophalen,’ stelt Martha voor, ‘ze wil al dat eten op de fiets meebrengen.’ 

Van Amsterdam-centrum naar -zuid is een behoorlijke fietsafstand.


Oude Waal 17a

Oude Waal in de winter, foto uit de koffer.


Oude Waal ligt in de Nieuwmarktbuurt. Op 17a bewoont Els de vierde, bovenste verdieping. Lange, steile trappen. Met op elke smalle overloop een stoeltje.

‘O, die zijn voor mij,’ wuift ze m’n verwondering weg, ‘voor als ik teveel te sjouwen heb.’

Ik weet niet dat ze inmiddels suikerpatiënt is.

Het eten staat klaar bij de deur: stapelpannetjes, tassen, bakjes, losse zakjes…

- En dit had je allemaal aan je fiets willen hangen?

‘O, ik heb ook nog een bagagedrager.’

Met een licht uitdagende blik schuift ze er nog een paar dozen bij.

’Ja, als we toch met de auto gaan…  wat van m’n bakjes en schaaltjes… dat staat zoveel leuker bij een rijsttafel.’

- Pardon, een rijsttafel?

‘Nou ja, een soort van.’

Toe maar, ze heeft een paar dagen staan koken.


Urtha-ELS-Laura

Urtha Ririhatuela, Els van den Berg en Laura Loupatty, september 1991.

‘Dit costuum is het enige dat ik van mijn Chinese oma heb,’ vertelde Els. Ze was er zuinig op en droeg het alleen naar speciale gelegenheden. Nu, na het uitdiepen van de koffer, veronderstel ik dat het een geschenk moet zijn geweest van de moeder van haar onbekende, Chinese vader. Wellicht bij de geboorte van Els aan haar moeder Johanna geschonken.


Nog even vlug-vlug grist ze van alles uit het stampvolle keukentje. Ik wacht in de woonkamer aan de straatkant. Het uitzicht over de boten in de Oude Waal is licht en wijds. Aan de overkant steunen zeventiende-eeuwse panden tegen elkaar, de Binnenkant. Oud, ongerestaureerd Amsterdam, prachtig. Behouden dankzij de Nieuwmarkt-rellen, waarvoor ook Els zich inzette waar ze kon.

De huiskamer is eenvoudig en gezellig. Als je de stekjes, planten en gedroogde kruiden wegdenkt, oogt het er misschien wat spartaans.

- Doet je verwarming het niet?

‘Ach, die heb ik meestal niet aan. Ik slaap graag met het raam open. Dat maakt de gaskachel overbodig.’ 

In de slaapkamer ligt er een matras op de grond.

Een familielid vertelt: ‘Door hun huiskamer aan de Schubertstraat liepen de verwarmingsbuizen van de benedenburen. Joseph (Daddy) zei altijd dat hij gratis verwarming had tot en met de slaapkamers op zolder. Toch gingen ze ’s avonds met een slaapmuts op naar bed. De gaskachel ging daar pas aan als het min tien graden was of zo.’


Oude Waal

Oude Waal in de winter, foto uit de koffer.

Her en der zie ik aandenkens die ze duidelijk niet zozeer om hun schoonheid als wel om hun verhaal bewaart. Bovenop een kast rust een oude koffer. Een grote, vooroorlogse koffer met een vaag ruitje en op de hoeken afgezet met stukken leer. Met vaste hand staat er een grote letter D op geschreven.

‘Mooi, hè, die is nog uit Indië meegekomen.’

- En die letter D…?

‘Daddy heet Dué.’

Ze ziet dat ik het niet begrijp.

‘M’n biologische vader heb ik nooit gekend. Daddy heeft ons groot-gebracht. Nou, dit is het wel zo’n beetje, denk je dat het allemaal in de auto past?’ 

Het eten is belangrijker.

Ik sta in haar huiskamer en kijk naar de koffer die nu, ruim dertig jaar later, in mijn huiskamer ligt.


kindertekening

Els werkt inmiddels bij het Emma Kinderziekenhuis, gespecialiseerd in kankerbehandeling. Om de twee maanden krijgt ze twee weken vrij tot m’n verwondering. 

‘Het is zwaar werk, hoor.’

En dat is niet alleen doordat ze de nachtdienst op zich neemt (om de jongere collega’s met gezinnen te ontlasten).

‘Je gaat je aan die kinderen hechten, daar ontkom je gewoon niet aan. En juist in de stilte van de nacht is hun ellende nog aandoenlijker. Niet iedereen kan het aan.’

In de stilte van de nacht – ik neem aan dat ze op iets doelt als de klank van zacht jammerende kinderstemmetjes door een hoge kale gang van een gebouw uit de vorige eeuw, het beeld zou me altijd bijblijven.

In de buurt staat het Ronald Mcdonaldhuis waar de ouders tijdelijk kunnen intrekken. Op een dag merkt deze vegetariër op dat het toch van de gekke is dat een fastfood-keten eerst kinderen met slecht voedsel ziek maakt om vervolgens goodwill te kweken door met belastinggeld (want aftrekbaar) onder de slachtoffers…. 

‘Je wéét niet waar je het over hebt!!’ onderbreekt ze me, hevig verontwaardigd. ‘Het doet de ouders zó intens goed om dichtbij hun kind te blijven!’

Ik zwijg, we hebben beiden gelijk.

Zij 'n beetje meer dan ik.


Els Emma


Jaren later vertelt een oudere vriend dat hij op een keer met met voornaamste man van het kinderziekenhuis, de kinderoncoloog Tom Voûte, door het Mcdonaldhuis liep. Hij had de professor ergens aan een bar leren kennen. ‘Dan zat die man er duidelijk even helemaal doorheen.’

‘Zie je die vrouw daar met die emmer in de weer?’ vroeg Voûte hem. ‘Die woont ergens in ’t Gooi in een kast van een huis met personeel. Komt hier al jaren elke donderdag de toiletten schoonmaken.’

Ook Els droeg Tom Voûte op handen. ‘Een fantastische vent.’

kind in mapje

Fotomapje aangetast door vergaan plastic.


Ouders

In 1988 gaat het kinderziekenhuis op in het AMC in Zuidoost. Het personeel mag bieden op goederen die niet mee verhuizen. Els koopt een hoog, verstelbaar bed. Voor het geval dat Daddy of Moeder thuis verpleging nodig mochten hebben. 

Ais en ik vervoeren het vooroorlogse ledikant in delen naar de Schubertstraat. 

De negenentachtig-jarige man kijkt enigszins lijdzaam toe en zegt niets. Als we willen vertrekken, roept hij zachtjes Ais terug en drukt hem een rolletje gekleurde Rang in de hand.


Reeks een

Helpen in een ver, arm oord is voor Els niet langer mogelijk. Suikerziekte dwingt de vluchtelinge uit Indië – na honderden tijdelijke adressen tijdens haar leven – voorgoed tot een eigen vaste stek. 


Na getuige te zijn geweest van zoveel honger-ellende in Biafra, Bangladesh en wellicht ook tijdens de oorlogsjaren in Indië, is het niet verwonderlijk dat ze zelf ook iets met eten had. 


Binnen het gezin, naast haar twee slanke en populaire zussen, bleef Els in moeders bewoording ‘ons Chineesje’. 

De enige keer in twintig jaar dat ik een woorden-wisseling met Els kreeg, was tijdens een etentje in ‘99. 

Ik wilde iets zeggen over een vriendin van haar maar kende haar naam niet en noemde haar die vrouw met die oog-afwijking. Het bestek viel net niet uit haar hand. 

Woedend!

‘Je duidt niet iemand bij z’n gebrek of handicap!’ Alsof ik haar persoonlijk had beledigd, stond ze op en liep weg.

Nee, niet om de rekening te ontlopen. 

Reeks 2

Omdat ze wist dat ik haar niet zou laten betalen, fietste ze een dag eerder naar het restaurant waar ik had gereserveerd.  Om alvast een aanbetaling te doen – die uiteindelijk dichtbij het eindbedrag kwam. 

Els had niet veel op met geld. Maar wel met schuld. De vrouw die iedereen hielp, kon zelf aan niemand iets verplicht zijn. 

De wereld stond bij haar in het krijt, zeker. Maar zacht gezegd, de wereld is kort van memorie.


Op latere leeftijd kwam er bij haar soms een zachte, onderhuidse wrevel naar boven, veelal over relatief kleine zaken, die zij met ‘oneerlijk’ duidde. 


De oorzaak leek me vaak dat zij – hoe kordaat en doortastend voor anderen ook – te weinig of te laat voor zichzelf was opgekomen.

Soms was het zelfs komisch. 

Recht van het ziekenhuis stormde ze op een middag hoogst verontwaardigd binnen omdat ze het zooooo oneerlijk vond dat zij, jarenlang verpleegster, voor een tamelijk urgent onderzoek in het ziekenhuis achteraan op een wachtlijst van maanden was geplaatst. 

Reeks 3

‘Als je bij de bakker werkt, krijg je toch ook gratis gebakjes mee naar huis!’


Ondanks al het geweld dat ze had meegemaakt, behield ze toch een rooskleurig beeld van de mensheid. Te rooskleurig misschien. 

Zo vond ze het oneerlijk dat haar zussen in het zonnige Californië de zorg en verpleging van Daddy en Moeder zonder ooit een woord van dank of overleg al die jaren bij haar neerlegden. 

Beide zusters stonden evenwel op de stoep toen moeder stierf en eigenden zich zonder dank of overleg de familiejuwelen toe. 

‘Natuurlijk moeten die sieraden binnen de familie blijven,’ mopperde Els later, ‘en natuurlijk heb ik geen kinderen. Maar ik had mijn deel graag zèlf over m’n nichtjes verdeeld.’


Af en toe kwam ze ook wel in opstand. Als de kwartaal-controle voor haar suikerspiegel goed was, liep ze regelrecht het centrale AMC-plein op en bestelde de allergrootste toeter softijs. 

- Zoveel zout, suiker en room… is dat niet 'n beetje veel van 't goede?

‘Vast wel,’ meesmuilde de doorgewinterde verpleegster, ‘maar je moet het allemaal ook weer niet tè serieus nemen.’


Reeks 4

Pas later, na haar overlijden, begrijp ik dat wat beter. Ik lees ergens over de enigszins stoïcijnse levens-lessen die een oude vrouw in de VS voorhoudt aan een groep jongeren. 

Ergens aan het eind van haar uitleg mompelt ze nog een laatste overweging: ‘Maar misschien had ik wat vaker een ijsje moeten eten.’


Typerend voor Els was haar verzet tegen de verbouwing van haar huis aan de Oude Waal. Namelijk te laat. 

Pas nadat de architect de bouwtekeningen goed-gekeurd en gestempeld afleverde, kwam ze voor zichzelf op.

Haar woonruimte zou na de restauratie namelijk over twee verdiepingen komen te  liggen. 

Nog meer trappen. 

Niet eerlijk.


Tegelijkertijd besefte ze wel dat ze door haar afnemende flexibiliteit er niet veel langer kon blijven. 

Rond de Oude Waal woonde echter een inter-nationale mix aan buren met min of meer eenzelfde achtergrond. Met velen was ze reeds jarenlang bevriend.


Reeks 5

Ze kreeg vervangende woonruimte aangeboden. Els eiste een tuintje en kwam daardoor aan de Marathonweg terecht, tamelijk ver weg van haar geliefde Nieuwmarkt-buurtje. 


Tijdens de millenniumwisseling maakte de wereld zich zorgen over de veronderstelling dat computerchips de overgang van 99 naar 00 niet konden verwerken. 

Heel vervelend bij atoomwapens, maar ook in een beetje strijkbout zat al een chip met een klokje ingebouwd. 

Uit efficiëntie zette de fabrikant dat er namelijk standaard in en zo'n chip kon raar gaan doen – als de angstpraatjes al werden begrepen.

Dan zal het alarm wel afgaan, veronderstelden we. Een goede reden om met oudjaar een feestje in de winkel te houden. 

Zodra de teller in Nieuw-Zeeland op 2000 draaide, werd duidelijk dat de wereld niet zou vergaan – maar dat kwam de feestvreugde alleen maar ten goede.

Tegen 20:00 uur wandelde Els binnen. Sinds onze woordenwisseling in het restaurant had ik haar niet meer gezien.

‘Ja, als je me uitnodigt, dan kom ik ook.’ 

Ik kon me niet herinneren dat ik haar had uitgenodigd. Om het ijs te breken had ze dat zelf maar gedaan.

- Hoe meer zielen, hoe meer vreugd!


oudjaar stlstr 3 winkel

Staalstraat 3, Amsterdam, 31 december 1999.

Ais: ‘Wat me frappeerde, was dat ze niet langer dat eeuwige staartje droeg maar de haren eindelijk los liet hangen. Zoals vroeger.’


Els Urtha Ron Oudjaar

Staalstraat 3, Amsterdam, 31 december 1999.

Wellicht was het een van haar laatste feestjes. In maart dat jaar besloten we mijn vijftigste verjaardag achter de hoge muren in de Verboden Stad van Beijing te vieren. 

‘Kan hij vast wennen aan het bejaardenhuis,’ lichtte Ais graag toe.


Volendam 1976 - versie 2

In de donkerte van de ochtend van vertrek stond onverwachts Els op Schiphol te wachten. 

Met een langwerpige doos onder de arm: een Vader Abraham Koek van een meter.

- Huh?

Een half uurtje later moest de handbagage door de scan. 

‘Wat voor koek, zegt u?'

Ze vonden ‘m beslist te groot: ‘Kunt u ‘m niet even dubbel vouwen?’

In die jaren telde Beijing nauwelijks koffiehuizen of andere tentjes om even te ontbijten. Al helemaal niet in de tijdelijke eensteen-buurtjes buiten de buitenste ringweg. Abraham kwam goed van pas, tot de laatste kruimel.


Els van den Berg telefoon

Foto Marijke Heuff

Haar suikerziekte nam verder toe, haar vele vrienden en vriendinnen kwamen langs maar zelf kwam ze steeds minder buiten. Halverwege het jaar raakte ze plots in coma. 

Het ziekenhuiskamertje, hoog binnen een AMC-toren, stond vol jonge mensen uit allerlei windhoeken. Op het bed lag Els’ lichaam te vechten, het gezicht bleef onbewogen, het hart leek te bonken. 

In ongeloof keek een jong, Bengali meisje de kring rond toen de dosis pijnstiller opnieuw werd verhoogd. Maar niemand deelde haar paniek. 

Gezamenlijjk wachtten we op stoelen of hangend tegen de muren.

Zonder dat het duidelijk was uitgesproken ‘wist’  iedereen dat ze niet uit de coma zou ontwaken – en dat dit maar beter was ook. 

Aan de andere kant van het vechtende lichaam zat het enige aanwezige familielid, een dertig jarig nichtje uit de VS. Voortdurend fluisterde ze Els iets in het oor. Christelijke boodschappen in het Engels, zo te horen. Het irriteerde me mateloos. Ik vroeg me af of ik mocht, kon en moest ingrijpen. 

Maar ik kwam er niet uit, familie blijft wellicht familie.


Met de laatste zucht trok over Els' gezicht een geel-groene waas. Plots bleek de strijd gestreden en lag er een levenloos lichaam. Met een vreemd, enigszins voornaam gelaat. Al het persoonlijke was op slag weg. 

Voor mij was het aanschouwen van het eigenlijke doodgaan volstrekt nieuw en moest het in de metro terug, tussen alle Ikea- of Praxisgangers, kwijt aan Ais:

’Alsof je ineens zicht krijgt op haar onbekende vader, grootouders… eigenlijk op àl haar voorouders… op eeuwen van menselijk bestaan…’

‘Nu ineens gaat onze belanda totok wèl aan de goenagoena?'


Enfin.

Sudah.



Els van den Berg Ais


HANDTEKENING


rouwadvertentie Els

Het Parool, 10 augustus 2000


Elsje Adèle van den Berg

geboren te Palembang 4 februari 1928

overleden te Amsterdam 8 augustus 2000


leendert-blok-2



Terug naar deel 1 - 2 - 3 - 4 - 5

Home


blog inhoud

All photographs and texts © Kashba, Ais Loupatty & Ton Lankreijer. Webdesign: William Loupatty.